Titel

Rik Torfs, ooit kotstudent in Abdij van Park

“De Abdij van Park is fijner dan al het rationele”

Rik Torfs

In het archief van de Abdij van Park bewaren we schatten. Eén daarvan is het manuscript van de doctoraatsverhandeling van professor Henri M.D.A.L. Torfs, beter bekend als Rik. Hoe het daar beland is?

“Ik heb net na mijn studententijd op kot gezeten in Abdij van Park”, legt professor Torfs uit. “Er was toen, in 1981, een tekort aan koten in Leuven. Een vriend van me zat hier op kot en hij regelde dat ik hier kon verblijven. Ik was hier nog nooit geweest, maar ik was direct verkocht. Ik had een vrij kleine kamer, maar dat was voor mij meer dan genoeg. Ik heb geen luxe nodig – nog altijd niet, trouwens.”

“Je moest niet noodzakelijk pater willen worden om hier op kot te zitten”, lacht Torfs. “De ene student was misschien wel iets vromer dan de andere, maar ik heb hier ook veel plezier beleefd zonder aan het abdijleven deel te nemen. Zo waren er activiteiten waar ook broeder Frans aan deelnam. We gingen al eens schaatsen in Haasrode en op de Geldenaaksebaan was er ook een huis waar we steeds welkom waren voor een witte van Hoegaarden”, herinnert Torfs zich.

“De abdij was vrijheid”

“Ik hou van de soberheid van deze abdij. ’s Ochtends buitenkomen met zicht op de vijvers: dat deed me ook wel wat. Ik ben een echte natuurliefhebber – ik ken ook heel wat bomen en bloemen tot in detail. Maar ik moet wel bekennen dat ik zelden wakker werd als het nog donker was. Ik begon pas te werken rond een uur of tien en ’s avonds verkende ik de wereld. De Abdij van Park staat voor mij synoniem voor vrijheid. Ik deed hier wat ik wilde”, mijmert Torfs.

"De Abdij van Park staat voor mij synoniem voor vrijheid"

Verschilt de abdij van toen veel met die van nu? “Het was hier toen veel kalmer, maar er was ook weinig toekomst in het abdijleven. Terwijl dat toch de eerste vraag is die mensen stellen als ze een abdij bezoeken: ‘Wonen hier nog paters?’ In mijn tijd was Roggen de abt – hij had zelfs een nummerplaat waarop de letters ABT prijkten. Jef Van Osta, de huidige prior, heb ik trouwens nog gekend als student”, vertelt Torfs.

Kleine abdij, grootse dingen

Een pagina uit de thesis van Rik Torfs

Torfs zag ook dat er alsmaar minder paters intraden. “Spiritueel was de abdij in verval, maar haar schoonheid bleef bewaard. Ik bewonder de abdij nog steeds als constructie, met de stucwerkplafonds, de pandgang, de salons… En die krakende vloeren: dat heeft wel wat. Ik gruwel van het totaal piekfijne. Dit is een gebouw dat leeft, geen omhulsel voor wie er toevallig in rondloopt”, duidt Torfs.

“De Abdij van Park is een kleine abdij waar je met een aantal mensen grootse dingen kan doen. Ik herinner me nog dat ze eind jaren tachtig van elk gebouw een soort bezinningshuis wilden maken. Maar ook dat vereist de nodige aanwezigheid. Mijns inziens heeft de KU Leuven hier kansen laten liggen. Het heeft uiteindelijk tot midden jaren 2000 geduurd tot er schot in de zaak kwam.”

Wat de professor van de restauratie vindt? “Ik ben een groot voorstander van een plek waar cultuur en natuur kunnen samenkomen. Zo kunnen we van elk detail profiteren. Ik spreek daarom heel graag af op de abdijsite. De Abdij van Park is een alternatieve wereld tegenover de business, de technologie en de kennis in Leuven. Ze is historischer en fijner dan al het rationele. Een abdij kan het religieuze ook vitaal houden na het instorten van de parochiestructuur”, stelt Torfs.

Monnikenwerk

Terug naar zijn doctoraatsverhandeling, getiteld ‘’Het huwelijk als leefgemeenschap’. Of hij nog weet waarover het gaat? “Uiteraard! Kort samengevat: over het huwelijk”, lacht hij. “Vóór het Tweede Vaticaans Concilie zag de kerk het huwelijk namelijk als een contract, op een juridische manier. Maar tijdens het concilie werd het een verbond, met voortplanting en het welzijn van de partner als voornaamste doelen. Alleen: hoe kon je dat in een juridisch systeem gieten? Mijn doctoraat verkende dat domein.”

Het manuscript dat in ons archief zit, is met de hand geschreven. “Ik ben inderdaad een handschrijver. Ik had indertijd een duizendtal bladzijden, dus dat was – oh ironie – een monnikenwerk. Het typen is later gebeurd door mensen die daarvoor betaald worden. Dat doe ik nog steeds trouwens: soms dicteer ik wat ik in een lezing ga vertellen en typt iemand wat ik zeg. Zoals nu eigenlijk”, grijnst Torfs.